Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE PERIODE

389

gedragen je niets zult weten als dit ééne: Willem is heelemaal van mij, hij gaat in mij op, zooals ik in hem. O, wat is het leven verrukkelijk!

Nu, Jeanne, breng ik dezen gauw naar de post.

Met mijn heele zijn

jouw eigen Willem

* *

O, Lief, ik dank je voor je prachtige vers, dat ik vanmorgen vond in je brief. Je verzen maken me zoo blij en gelukkig en trotsch, -ik wou, dat ik je beter, duidelijker kon zeggen, boe groot de vreugde is, die ze me geven.

Willem, als jij de macht gebruikt, die wij beiden weten, dat je over mij hebt, dan kan je me heelemaal vormen naar jouw wü, dan kan je heelemaal van me maken, wat je wenscht, dat ik ben. Jij bent de uitsluitend-eenige, aan wiens macht ik me wil overgeven, door wien ik me wü laten leiden, aan wiens oordeel ik me toevertrouw. Jij bent 't aan wien ik mijn lot heb weg-gegeven voor altijd, met een heüig geloof en een opperst vertrouwen, jij bent 't, die over mijn toekomst beschikt! O, Lief, dat ik nu niet langer aüeen de verantwoordeüjkheid draag van mijn gedachten en mijn daden, - dat jij me, door je goeden invloed helpen wüt, de slechte dingen in me heelemaal weg te maken, zoodat het goede, dat toch zeker ook wel in mij is, de overhand verkrijgt. O, Lief, ach, ik hoef 't eigenHjk niet meer te zeggen, want je weet 't wel, maar toch zal ik 't nog even doen: al 't verdnet, dat ik je heb aangedaan, of misschien nog veroorzaken zal, heeft nooit (en zal die ook nooit hebben) een wiüekeurige oorzaak gehad. Geloof me, Wülem, dat ik, vóór ik sprak, veel langer en dieper verdriet heb gehad, dan jij, die 't alleen maar voelde op 't moment, dat 't door mij werd geuit. En als ik niet zoo innig van je hield, zou twijfel aan jouw Hefde me toch nooit zoo martelen?

O, ik wou, dat je nog hier was, en tegenover me zat in dien stoel, en me aanzag en tegen me sprak en lachte, - maar ik wü er heelemaal niet over klagen dat het zoo gauw voorbij is gegaan, want het waren zulke eenig-verrukkehjke, goddeUjke dagen! O, ik hoop zoo, dat Mevr. B. Ma, Jacq en mij in Augustus logeeren kan, -

Sluiten