Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE PERIODE

421

ik 2elf 't waarom niet weet, en waar ik juist daarom niets aan kan doen. Ik laat 2e dan maar hun uitwerking hebben, en onderwerp me lijdelijk aan dien geest-verloomenden invloed, als tenminste niets wat van buiten komt, mij verlost. En dat is nu juist 't goddelijkzalige van jouw brieven, Lief, - met één tooverslag gene2en 2e mijn 2waarmoedigheid. O, 'tis onbegrijpelijk, haast ongelooflijk, boe snel er dan een omkeering plaats grijpt in mijn Ziel. Lief! weet je weL dat je me nü al 2ooveel beter hebt gemaakt? O, Lief, jij hebt 2e nooit gekend, die radeloos-wanhopige stemmingen van me, waarin ahes in me smachtte naar dood, dóód, - en ik in de uitvoering van dat verlangen aheen door lafheid verhinderd werd, - 200 lang ik met jou ben geëngageerd heb ik 2e nóóit meer gehad, die oogenblikken van krank2innige, woedende droefheid, - die momenten van afschuw en walging van het leven, die me folterden met onontkoombare ellende. Ik sidder bij 't herdenken daaraan, - o, Lief, Lief, ik geloof, dat 't waarachtige waarheid is, dat jij, jij me'gered' hebt. Want jij, Liefste, hebt me ineens boven mijn inwendige smart gesteld, jij hebt me de eigenhjk-niet-bestaanbaarheid er van aangetoond, - o, jij, jij, jij bent mijn redder, Lief, mijn leven-gever, de brenger van al het mooie, goede en heve aan mijn lot. Jij 2al mij heelemaal van mijn 2iels2iekte gene2en, want jij hebt de geestelijke macht en de bekwaamheid er toe, jij kan ahes, omdat jij ahes op mij vermag. O, Lief, wat 2al ik jou gelukkig kunnen maken, wanneer ik zelf altijd gelukkig ben!...

Weet je, wat 't was, Liefste? Ik was: levenszwak. Het leven was te zwaar voor me: het doodde mijn lichaam niet, maar het zou langzaam mijn ziel hebben gedood. Weet je wel, dat ik eens in een vers heb gezegd:

Ik kan niet leven... en ik durf niet sterven... Ik heb geen kracht voor leven, noch voor dood.

Lief! ik zou voor je kunnen neervallen en je handen zoenen in hartstochtelijke dankbaarheid, dat je me niet alleen wilt laten in het leven, dat ik altijd op jóu vertrouwen mag. Ach, Lief, het beetje leed, dat ik nü soms nog heb, - de enkele tranen, die ik nü nog vergiet, - dat zijn als 't ware de navallende druppels van een hevigen regen, waardoor de heele hemel is leeg-geweend, en waarover al weer 't prachtig-glanzende zonlicht glijdt. Het kan niet plotseling heelemaal verdwijnen, is 'twel, Lief? o, 'tis al zooveel beter bij

Sluiten