Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE PERIODE

433

O, Jeanne, als ik geheel door jouw armen lag omsloten, Dan voelde ik me hggen als in boeien van bewegelijk fluweel, En als er dan soms een paar tranen van vreugde uit mijn

oogen vloten,

Dan zouden ze op die boeien stralen blijven als edelsteenen

in flonkerend gespeel.

O, Jeanne, zouden deze vier regels eigenhjk niet dienen kunnen als staaltje van de poezië van Gorter in zijn Verzen?

Merk je nu wel, Jeanne, hoe ik door je laatsten brief geworden ben? O, je weet eigenhjk absoluut niet, hoeveel ik van je houd, hoe erg ik je hef heb! En ik wist het zelf óók nog niet heelemaal, 't was nog te onbewust, maar nu weet ik het wel. Ik ben als speelgoed in je handen en dat wil ik zijn, want de heele wereld kan mij eigenhjk niets schelen, behalve jij! Mijn hartstocht voor jou is geen opwmding, maar een blijvende en mij bezahgende kracht, omdat je 't aangenaam vindt, dat ik naar je bijzijn verlangen moet. Dit is de eerste keer van mijn leven, dat ik waarachtig hefheb en dat ik mij heelemaal laat gaan op mijn gevoel; mijn hefde voor jou is geen lyriek maar werkelijkheid. Ja, ik geloof ook, dat er een mystisch geestehjk verband tusschen ons bestaat, dat wij niet begrijpen, maar wel sterk voelen.

Maar daar begint waarachtig mijn „dicht-ader" weer te springen, zoo dol als een jong veulen in de wei:

O, Jeanne, 't eenige, wat ik kan zeggen, is, dat ik jou bemin En dat ik daarom zoo gauw mogeh j k weg wil van de fa mi li e Linn.

Want in den Haag,

Daar zijn wij staag,

Met zijn tweëen bij elkaar,

Als een minnend paar. Dan loopen wij samen mijmrend door de Scheveningsche

bosschen,

Of gaan daar als twee dichters op onzen Pegasus hossen. En als dan de boschwachter zegt: Mijnheer en Juffrouw,

wat doe je daar,

Dan presenteer ik hem eerst een sigaar, En daarna gaan wij hem met klagende stem onze verzen

toefluisteren,

Sluiten