Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

436

LIEFDESBRIEVEN

Lieve Willem, Nu, als dat niet toevallig is! Juist heb ik mijn verzen-vollen brief aan jou verzonden, en daar komt de jouwe, die eigenhjk één poëtische uiting is! O, wat heb ik er om moeten lachen, - zal ik deze verzen óók in het verzamel-cahier schrijven, WÜlem? Aardig van je, dat je den brief nog in Amsterdam postte, - nu kreeg ik toen mijn morgen-brief en wat een heerlijken!

Daar juist komt je spoed-brief. Ja, Wülem, ik heb toch heusch op den gewonen tijd geschreven, en begrijp heelemaal niet, hoe het komt, dat je mijn Brief nog niet gekregen hebt. 't Is nog nooit gebeurd, dat ik verzuimd heb je te schrijven, en ziek ben ik nooit. Lu elk geval moet je mijn brief nu om i uur hebben ontvangen.

Ja, zeker wÜ ik voor H's en D's bruüoft overkomen, heel graag zelfs, omdat ik 't heerhjk vind jou weer te zien. Maar vind jij 't heusch ook wel prettig, Wülem? Het antwoord, dat hierop past, is natuurhjk: Moet je dat nog vragen? Maar ik vraag het toch, omdat je spoed-brief zoo aüerverschrikkehjkst koel was. Maar ik bedenk me daar, dat je hem natuurhjk in haast geschreven hebt, en 't misschien een beetje vervelend vond, dat er, afwijkend van de vaste gewoonte, geen brief van me was. Je moet nu niet zuchten of triest gaan kijken, maar 't valt me zoo op, omdat ik zelf jou altijd zulke aües-zeggende, opgewonden brieven schrijf. En ik hoor 't zoo graag, als je „Lief" of „Liefste" tegen me zegt. Ja, noem me nu maar flauw en kinderachtig, Lief, daar heb je groot gehjk aan, - maar ik heb niets anders dan je brieven, en daarom dringt ieder woord ervan zoo diep tot me door. Ach, Wülem, ik wou, dat ik je eens even zag lachen; in je brief heb ik heelemaal je stem niet gehoord, en ik verbeeld 't me zoo graag, dat je, me vriendelijk aanziend, werkehjk tegen me spreekt. Ik doe ook altijd zoo, alsof ik tegen je praat, - ik neb me nog nooit als ik aan jou schreef, inwendig-koud tegen je gevoeld. Wülem, al je daden, al je woorden maken zoo een diepen indruk op me, omdat ik volkomen en absoluut in jouw macht ben, - zonder jou ben ik veel krachteloozer, ja, onmachtiger tegenover aües, waarin ik wü en moed noodig heb, - dan ik vroeger ooit ben geweest. Begrijp je dat niet? Ik heb mezelf niet meer, - als jij me niet steunt en helpt, zink ik weerloos ineen. Maar als je naast me staat met je raad en je kracht, dan voel ik me inwendig sterk. Ach, je weet dit ahes wel, ik heb het al zoo dikwijls gezegd zonder éénige terughouding, met uitspreking van ahe gedachten, die in me waren, met

Sluiten