Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE PERIODE

437

voorbij-zien van allen meisjesachtigen schroom. Maar ach, wat hielp 't, of ik 't verborg? Het is immers zoo, en je moet het noodzakelijk merken, ook al zei ik niets. Mijn geest gaat met al jouw stemmingen mee: ben je vroolijk in je brieven, dan juich ik inwendig; ben je down, dan word ik scnreiensbedroefd, ben je koel, dan versteen ik een beetje. Ik heb als 't ware geen eigen gevoel, geen eigen gedachten meer, - jouw wil is de mijne, jouw kracht ondersteunt mijn kracht, jouw geestelijk wezen suggereert het mijne. En zoolang je lief tegen me bent en zegt van me te houden, is dat afhankelijkzijn een zalige toestand voor me. O, Lief, jij zegt wel eens, dat jij in mijn macht bent, maar waar bewijst zich dat door? Zie, als ik nu eens plotseling kwam te sterven, dan zou jij toch wel voort kunnen leven, al had je er ook een oogenblikkelijk verdriet van, ja, laat ik zeggen, wat misschien wel waar zou zijn: een hevige smart. Maar ik, - ik zou met jou mee-sterven, Lief, — niet omdat de smart me zou dooden, wat, geloof ik, in werkelijkheid nooit gebeurt, niet omdat ik de hand aan mezelf zou slaan, wat niet noodig zou bhj ken, - maar omdat mijn levenskracht, mijn wü, mijn weerstandsvermogen volkomen méé zou verdwijnen. Wülem, jouw bestaan is een absolute noodzakelijkheid voor het mijne geworden, ik kan niet meer leven zonder je hefde. Ik heb je wel eens gezegd, dat, als jouw hefde me niet had gered, ik waarschijnlijk gauw zou hebben opgehouden te bestaan. WÜlem, zeg me, zeg me, zèg me, dat mijn leven ook een beetje waarde heeft voor het jouwe, je wéét niet, hoe diep je me daarmee verrukt, je wéét niet, hoe een groote, inwendige kracht je me daardoor geeft. Toe, heve Lief, vergeef 't me maar, dat ik een beetje zwaar-op-de-hand ben geworden, doe je? Je weet, dat word ik gauw, en je weet óok, dat ik veel van dergelijke redenaties houd.

Nu moet ik je nog iets serieus' vragen, Lief. Gisteren gaf Veenstra me het eerste deel van mijn roman, dat al gebonden was; het tweede is ook klaar op inbinden na, dus 't zal niet meer zoo heel lang duren, of 't heele werk is „ah right". Maar luister nu eens, Lief: Zal jij er tegen kunnen, weet je, dat jij er tegen kan, dat ik, je meisje, een boek heb geschreven, dat nu wel niet „onzedelijk" is, zooals je 't wel eens schertsend-verondersteüend noemde, als ik er over sprak, maar waarvan toch heel waarschijnhjk „Ia füle en défendra la lecture a sa mère". Ik zeg je, dat het absoluut geen slecht boek kan zijn, omdat

Sluiten