Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE PERIODE

445

trachten te troosten met de wetenschap dat het nu toch niet zoo heel lang meer duren zal, dat ik je iederen dag kan zien. Ofschoon ik weet al, hoe dat zal gaan! 'sMorgens sta ik op, en denk: 'tls zoo prachtig weer, ik ga vragen, of Jeanne wat mee wandelen gaat in het Bosch. Ik loop naar de Reinkenstraat, schel aan; de meid zegt: „Gaat u maar naar boven", en ik klop aan het kamertje aan, waar al mijn heil in schuilt. Van binnen wordt de deur dan opengedraaid, en een hef gezicht kijkt even om den hoek, en zegt: „Ja, Willem, ik kan je vandaag niet goed gebruiken, ik zit te schrijven aan den hterairen luitenant". En Willem gaat de trap weer af, en trekt naar Scheveningen, waar bij, boven op een duin gezeten, aan de wolken zijn weemoed klaagt.

O, Jeanne, ik wou zoo graag, dat je al bij mij was. Dan zou ik je zacht op mijn knieën trekken, en mijn armen om je heen slaan, en met mijn hoofd tegen je aangeleund, zeggen: „Lief, Lief, ik heb je zoo hef, onuitbluschbaar en grenzenloos hef!"

O, Lief, dat ik je zoo liefheb, dat is geen stemming van me en heelemaal geen opwinding, neen, Lief! dat voel ik diep-inwendig, altijd-door. O, te mogen lezen in je oogen, dat je mij liefhebt, niet als een abstractie in je hoofd, of als een letterkundige, maar als levend mensch. O, als je ooit weer mocht gaan huilen, waar ik bij ben, dan zal ik de tranen weg-kussen uit je oogen als dronk ik ze op, tot je weer gaat ghmlachen, en met je eene oog schuins in de hoogte naar mij, terwijl ik aan 't andere bezig ben, zachtjes zegt: „Hè, Wülem, dat is prettig, en ik vind je hef! Heusch, Lief! je zal nooit meer lang hoeven te huüen, als üc in den Haag woon. Als je soms droevig mocht opstaan 's morgens, dan stuur je maar dadehjk een boodschap naar mij toe, en dan weet ik 't wel in 99 gevaüen van de 100 zóó te schikken, dat üc mijn heelen boel kan laten liggen en onmiddelhjk bij je kom. En je moet je, heusch! nooit daarin laten weerhouden, - want zoo bèn je! - door de gedachte, dat ik eigenhjk liever wel eens niet zou wülen komen, want üc houd veel te veel en te diep van je, om je aüeen te kunnen laten, als je huüt. En wat dat onbestemde verdriet van je is zonder bepaalde reden, dat voel üc allemaal precies, want dat heb ik vroeger zelf ook zoo dikwijls gehad, en ik voel het nü nog wel eens, maar heel uit de verte en zonder tranen.

En als je je nu zwakker meent te voelen dan je vroeger was, daar hoef je je heusch niet ongerust over te maken. Want ten eerste heb ie mij, die je in aües krachtdadig zal helpen, maar buitendien

Sluiten