Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE PERIODE

461

Want de eerste schenken een denkbeeldig pleizier, Maar de laatste doen je waarachtig leven.

* *

Liefste, ik heb nu om één uur je brief, dien je Zaterdagavond schreef, en om half vijf je heerhjken van gisteravond ontvangen. Ik schrijf nu niet lang, want we moeten dadehjk gaan eten, maar vanavond weer als gewoonlijk. O, Lief, ik ben bhj voor je, dat je Kroniek af is. Ik heb ook altijd zoo afschuwelijk het land aan verplicht werk, dat op een bepaalden tijd klaar moet zijn. Je hebt zeker over Dorpsroosje geschreven? Vind jij dat goed werk? Ik ben heel benieuwd te weten, wat je er van hebt gezegd.

O, Wülem, wat je zegt van dien anderen mensch in je, die je de gedachten ingeeft, om ze neer te schrijven, dat heb ik zoo heel sterk gevoeld met mijn roman. Die is heelemaal door een ander in mijn geest geregeld en afgespeeld; ik luisterde maar en zag toe, hoe of aües gebeurde, en schreef dan het opgemerkte ter neer. Want dat ik, ik, Jeanne, dat boek heb kunnen schrijven, dat hjkt me een absolute onmogelijkheid. Je zal later wel zien, dat de auteur van dat boek een volslagen antipodisch wezen is met de auteur van de verzen. Als ik dit zóó verschillende werk als buitenstaander kon beschouwen, zou ik nooit wülen gelooven, dat ze in de ziel van één persoon waren ontstaan.

Ik heb vandaag zitten te vertalen.

Tot straks, heve Lief!

jouw eigen Jeanne

* *

Je zal wel eens denken, Lief, waarom ik toch dücwijls zoo onredelijk klaag en mezelf vervolg en pijnig met verdrietige gedachten, dat komt omdat üc me zoo heelemaal afhankelijk voel van joul Ach, Lief, als jij mij nooit had gezien, dan zou je toch wel hebben voort-geleefd, zij 't ook een beetje vreugdeloozer en doehoozer dan nü misschien. Maar ik, - en ik verzeker je, dat dit geen frases zijn, - ik zou zeer zeker niet lang meer hebben bestaan: wat zou mijn nuttelooze en onbelangrijke leven nog verder op aarde doen? En met een onberedeneerd-heftigen angst heb ik altijd alle hefde uit

Sluiten