Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE PERIODE

467

op mijn kamertje zou worden gebracht. Om half acht belde de post; ik hoorde werkehjk de meid naar mijn kamertje gaan, en toen ben ik stilletjes naar beneden geslopen, om mijn brief te genieten. O, Willem, Wülem, wat ben ik toch vreeselijk, vreeselijk bhj, dat je me zóó geschreven hebtl Want o, ik ben altijd in zoo'n erge spanning, als ik soms in een brief weer eens „zoo iets" heb gezegd, •wie weet, Wülem, of dat niet al het bewijs is van mijn ongehjk, dat ik onbewust voel?

O, Liefste wat ik schreef van dat handen-geven (ik schreef: drukken we elkaar weer de hand) dat was natuurlijk omdat we elkaar waarschijnhjk in 't geheel niet onder vier oogen zuüen zien, maar als dat wèl zoo is, wat ik haast niet denk, dat gebeuren zal, dan zal ik je zelf een zoen geven, Wülem, ikzèlf, - onthoud 't maar, dat üc 't gezegd heb.

O, Wihem, ik kan je niet zeggen, met wat een lust en pleizier ik aan Walden bezig ben, en hoeveel goed me dat werken doet. Ze zuüen wèl verbaasd zijn mijn naam met dat boek verbonden te zien. Want die sodahstisch-economische theorieën zijn absoluut niet de mijne, - wie weet, of ze dat nu niet gaan denken! Maar, enfin, als het doel maar bereikt wordt, hè, Lief!

O, je hebt in dezen laatste van je zoo iets goddelijks geschreven, het allerheerlijkste, geloof ik, dat je nog ooit tegen me gezegd hebt, Liefl... „ik voel me inwendig geïdentificeerd met het jongetje, dat ik was van 6-10 jaar, en zoo gaat het in mij door met aüe verdere leeftijden van mij. En met al die leeftijden, die ik in mij voel herleven, heb ik jou hef!"... O, Wülem, begrijp je niet, dat dit zeggen van jou me zoo gelukkig maakt, me zoo wonder-gelukkig maken moet? - O, ja, ja, Lief, ik geloof het, ik weet het, ik voel het, dat ijj rne gelulckig maken zal. Het is een bewuste overtuiging in me, dat jij den wil en de kracht daartoe bezit, en bovendien de macht om aUes in me, wat mij gelukkig te zijn belet, te verdrijven voor goed.

O, Lief, met zulk een opperst-zalig vertrouwen geef ik mij aan je leiding over. Want door jou, Lief, die de mtslmtend-eenige is, die me geestehjk-intiem mag naderen, door jou wü üc worden verbeterd en genezen, waardoor ons beider geluk bevorderd wordt.

O, üc kan je niet zeggen, hoe ik altijd aan je denk, hoe ik altijd in aües de gedachte aan jou moet mengen. Mijn geest is als 't ware met de essentie van jouw geest gedrenkt, zoodat alles wat üc doe

Sluiten