Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE PERIODE

493

liefheid en goedheid, door geestelijke opwekking, en gezonde beweging in de buitenlucht. Je zit nu maar dag in, dag uit op je kamertje, maar o, als ik er ben, dan wordt je leven zoo heel anders, zoo veel meer vol afwisseling, door hartelijk lachen en gevoeligen ernst, dan word je zoo afgeleid, van je zelf af, en dan sta ik altijd tegenover dat Zelf van je met troost en kracht en moed en bezieling, en dan zullen we dat wel heelemaal in orde maken voor goed. Heusch, Lief, ondanks al die klaagbrieven van je, is het toch net, of ik een soort van electrischen stroom van jou uit voel overgaan op mij, die mij opwekt en moed geeft en levenslust en kracht. O, dat mijn latent vermogen óók niet zóó kan overgaan op jou! O, ik wou, dat ik mijn lippen vast en lang kon drukken op je hand, die ik omhoog in de mijne, zacht, hield, dan zou ik je, terwijl ik dat deed, diep en teeder kijken in je oogen, kalm-klaar-ontroerd en toch bhj-zeker, tot die oogen hun treurende, naar-binnen-gekeerde uitdrukking verloren, en zacht naar-buiten begonnen te lachen, omdat je diep-inwendig voelde, als een altijd-durende zekerheid: „Willem is sterk en goed; hij hoort absoluut heelemaal van mij, van „mij, mij, Jeanne. Hij zal mij altijd sterken, steunen en gelukkig „maken; hij zal mij helpen in ahes: zijn hoofd en zijn arm en zijn „ahes is van mij."

Jeanne, hoor eens: jij bent alles voor mij, en daar buiten bestaat niets. Want jij bent de helft van mijn leven en de andere helft is mijn werk. En zelfs daar ontbreek je niet geheel; omdat het bewustzijn, dat jij er bent, mij de kracht geeft, om alle dingen veel beter en vaster en zekerder te doen, dan ik dat vroeger, alleen-staande, vermocht; wat zal het dan wezen, als je je langzamerhand geheel uit jezelf weet te Ontwarren, en naast mij komt te staan, wel jezelf blijvend, maar voelend, dat je één bent met mij, omdat je je beroerdigheden op mij hebt mogen gooien, en aheen dat van jezelf hebt overgehouden, wat jou en mij gelukkig maakt! Waarachtig, Jeanne, 't wordt mij hoe langer hoe meer bewust, dat jij en ik precies bij elkaar hooren. O, je kan niet begrijpen, hoe je mij geestelijk aantrekt; ik verraste mijzelf opeens zooeven, omdat ik een brief van je opnam, en dien vurig begon te kussen, daar waar je naam staat, niet uit een gewone, banale verhefdheid, neen, met een zielsverhefdheid, kan ik wel zeggen: jij bent honderdmaal meer voor mij dan een vrouw, die ik graag kus, omdat ze een aardig gezicht heeft of zoo; neen, je weet heel goed, je bent innerlijk een heel

Sluiten