Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE PERIODE

5i7

evenals ik, maar ik weet, dat in de toekomst, maar een paar zachtdoch diep-gevoelde woorden wederzijdsch noodig zullen zijn, om zoo'n depressie terug te voeren tot het normale vlak. Ik heb vroeger, aan zulke depressies in mijzelf, alles gedaan, uit onbewusten drang,' wat er bij mogelijkheid maar aan te doen vieL en daardoor voel ik den wil en de kracht, om ook op de jouwe te werken en ze door teederheid-in-liefde en klaar verstand terug te dringen in je onbewustheid, zoodat er je niets anders van overblijft, dan een beetje vage weemoed van tijd tot tijd, dien ik dan ook wel weer zal neutrafiseeren.

O, Lief, je weet niet, hoeveel ik voor je voel: je bent geen vrouw met de inquiétante vaagheid van de vrouw, waar je afles en toch eigenhjk weer niets uit af kunt leiden, - jij bent een waarachtigvohedig mensch! En dat voel ik mezelf óór te zijn: daarom ook passen wij zoo goed bij elkaar!

O, Jean, als jij werkhjk van mij houdt, dat maakt mij dol van vreugd. Ik word soms zoo geèmotionneerd door de gedachte aan jou, dat ik, mijn pen neerleggend, achterover in mijn stoel ga liggen, en mijn oogen sluit. Geen bepaalde gedachte gaat dan in mijn hoofd om: ik denk zelfs niet, ik wou, dat ik haar een kus kon geven! hoe heerhjk ik dat ook vind. Neen, 't is of je geestelijke Zijn door mijn kamer zweeft; ik kan het natuurhjk niet grijpen, ik zie het zelfs niet, neen, ik voel het aheen. En dat gevoel doet mij wel des te heviger verlangen, om jou werkehjk te ontmoeten, maar ik ben toch dgenfijk zoo bhj, dat ik het ondervind. Er bestaat tusschen ons, geloof ik, een soort van mystiek geestelijk verband. O, en de verrukking, dat jij geen waan bent, geen verbeeldingsschijn, door mijn hersens geprojecteerd, maar een objectief-bestaand, een werkelijk-levend mensch!

Vandaag heb ik dat gevoel, dat je tegenwoordig bent in de kamer, al bijzonder sterk. O, en dan kijk ik maar weer op mijn ring, want die geeft mij zoo de gelukkige wetenschap, het vaste bewustzijn, dat Jeanne geen droom, maar een waarheid is. Ik heb ook weer een poos in dat laatste schrift van je zitten te lezen, dat doet mij ook zoo onredbaar naar je verlangen: o, Jeanne, ik heb je zoo onuitsprekelijk hef! r

Ik sluit nu maar, vanavond schrijf ik weer voor morgenochtend. Ik sla mijn armen zacht om je heen, en zeg je, terwijl ik je diep in je oogen zie: Ik heb je hef, en bhjf altijd

jouw eigen Wülem

Sluiten