Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE PERIODE

535

Liefste, o, ik was toch zoo bhj met je brief vanmiddag, en 't is zoo heerhjk, dat je er een spoedbestelling van hebt gemaakt. Weet je, wat ik zoo verrukkelijk vind, Lief? Dat je 't voelde, hóe erg ik naar een woord van jou over mijn boek verlangde. Daarom, ik apprecieer 't zoo, dat je er tóch iets van hebt gezegd, en ik dank je daarvoor heel innig, Lief.

O, Wülem, als je dat zoo nagaat van die journalistische critiek, van dat geschreeuw door en tegen elkaar, van dat vriendjes-opgehemel en dat door-aUes-heen-afkeuren om een persoonlijke antipathie, als je dat aües zoo'n beetje koel, als er buiten staand, aankijkt, wat moet je ons kleine Hoüand dan werkehjk klein gaan vinden, klein-geestig en bekrompen en bevooroordeeld en ingebeeld. .. geen ruime opvattingen, geen zuivere oordeelen; critiek, ja! maar altijd beïnvloed door persoonhjke nietigheden, - alles even gering, min, laag bij den grond. Soms zie je de ergerlijkst onwijze meeningen je voor waarheid opgedrongen, of de bespottelijkst met elkaar in tegenspraak zijnde opinies vlak na elkaar neergeschreven. Nu wat jij zegt over jezelf en de pers: dat is toch wel het grootste bewijs^ dat de journalistiek nauwelijks zelf weet, wat zij beweert, en als 't ware als een tol heen-draait om zichzelf, zonder te zien' naar wat er buiten haar gebeurt! 'tWerd heusch tijd, dat er wéér eens een brochure kwam over de Onbevoegdheid enz. zeg, Lief, dunkt je dat óók niet? Ik geloof, dat de éénige kans, om een bhjvend zuiver oordeel over je werk te krijgen, zou zijn, als ieder auteur een streng incognito bleef handhaven, en telkens een ander pseudo koos. Denk je dat ook niet, Lief? Maar op die manier zou je nooit „naam" kunnen maken! Ach, Wülem, ik geloof, dat heel diep in onszelf eigenhjk de absoluut-eenige persoon leeft, die beoordeelen kan, of ons werk „goed" of „niet goed" is geweest. Geloof jij dat eigenhjk ook niet?

Je hebt er me wel eens meer over gesproken, dat de Zuid-Duitschers je zoo aangenaam aandeden, in tegenstelling met 't geen men altijd van de Hoüanders ondervindt. Ik heb nooit zoo voor mezelf ons volk met andere volken vergeleken, maar je hebt volkomen gelijk!

O, ik denk er ineens aan, hoe je nu misschien in mijn boek zit te lezen, waar je waarschijnhjk al heel ver in bent, o, Wülem, Wülem hoe val je 't toch vinden, als je 't heelemaal uit hebben zal! Ik wou, dat ik 't al wist, dat ik er je over kon hóóren spreken, - o

Sluiten