Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5 86

LIEFDESBRIEVEN

maken, dat ik twee brieven voor je krijg. Eén doe ik dan op de post vóór den eten, en de andere vanavond vóór acht uur. Die ontvang je dan allebei Zondagochtend, en 200 krijg je tenminste, óók op den Zondag, je gewone „rantsoen". Ik vind net 200 heerhjk, dat je mijn brieyen prettig vindt: want, 2ooals ik je al eens schreef, ik rit er nooit over te denken, wat ik eigenhjk schrijven 2al. 'k Schrijf alles, zooals 't in mij opkomt, spontaan, en dat mijn geschrijf je aangenaam aandoet, bewijst dus, dat mijn innerhjke natuur een essentie is, waar je 't in je verdere leven mee 2ult kunnen vinden, Lief!

Nu ga ik je wat kwaads van me2elf vertehen; ik heb een groot gebrek, dat is: slordigheid. Je hebt het wel gemerkt, toen je in Mei lederen dag op mijn kamer kwam, o, heerhjke tijd! Op een gedeelte van die slordigheid zou ik nu graag willen hebben, dat je wat lette, zoodra ik in den Haag ben. De slordigheid van mijn uiterlijk n.1. Want ik ben niet expres-slordig, dat begrijp je, hoop ik, wel: ik denk er aheen maar met om, om het niet te zijn.

Juist toen ik dit geschreven had, werd er een Ansicht-postkarte voor me boven gebracht van Hein en Dien. Ik stuur hem je voor de aardigheid. Wil je hem voor ons bewaren, als een herinnering voor later?

Luister eens, Jean: jij bent een engel in de gedaante van een mooi meisje. Neen! geen protesten! Je bent mooi. 't Kan me niets schelen, wat er in de Handboeken over schoonheid staat, en ook niet, wat jij meent te zien, als je jezelf in den spiegel bekijkt, 't Kan mij alleen schelen, wat ik zelf zie. En op mijn netvlies teekent zich een heel mooi beeld, dat sprekend op jou lijkt, en waar mijn ziel door gaat dansen van jubelende vreugd, aheen door 't gezicht maar.

O, Lief, ik voel me met jou, alsof ik m een zomer-avondhemel kijk, door je heele hcht-fijn-kleurige manier van doen.

Ik denk wel, dat ik een week zal kunnen bhjven, totdat jij bijv. bij Veenstra Walden hebt afgeleverd. Misschien kan ik je op 't laatst nog een beetje helpen.

Ik moet je nu toch nog even zeggen, dat ik je zoo hef heb, zóó innig en teer, en toch zoo vast en groot en ruim, als ik.vroeger aheen in mooie, stille, halve sluimering wezens aanbad, die aheen in mijn droom-verbeelding leefden, en waarvan ik dan later verzen maakte. O, wat toen een yer-arfe onwerkhjkheid was, dat leeft nu waarachtig en wü met mij zijn, mijn heele verdere leven! Ik wou zoo, dat je voelen kon van jezelf, wat ik voel door jou, want dan zou je gelukkig

Sluiten