Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE PERIODE

629

kunnen komen, dien aan te nemen, weerhouden door een vreemd soort trots binnen-in mij, - een juister woord vind ik er niet voor, en op den koop toe zou ik denken: „Nu, sterven zal je er wel niet aan, dat ik dat niet wil." Zoo'n meisje, zoo'n mensch zou hoogstens den indruk op mij kunnen maken, dien een mooi schilderij of een standbeeld op mij maakt, en een kunstwerk is toch niet iets om te zoenen!

Maar jou geef ik dolgraag een zoen, omdat je bent, zooals je bent, en doet zooals je doet, omdat jij inwendig zóó voelt en denkt en wilt, als jij doet.

O, Lief, ik wou, dat je voelen kon, hoe ik je hefheb, hoe diep en echt ik van je houd! Ik wou, dat je op het oogenblik bij mij was, en mij in mijn oogen kon zien, dan zou je je arm om mijn hals leggen, en stil, maar wetend zeggen, terwijl je me aanzag: Willem, ik geloof in je, want ik voel en zie, dat ik je tot in je verste diepte vertrouwen kan, omdat je heelemaal niet wuft bent, maar standvastig en serieus.

O, Lief, daar lees ik nog eens een brief van je over, en ik vraag je nog eens: Toe, Lief, bedroef je toch zoo niet, om wat je geschreven hebt, - 't is immers net zooals je zelf zegt, een bewijs voor me, dat je echt van me houdt? O, Lief, ik heb je Hef, ik heb je hef, ik heb je hef, - ik krijg er nooit genoeg van, om het tegen je te zeggen, omdat ik het aldoor in me voel. O, als ik soms naar mijn ring kijk, als vanzelf, heel toevallig, tusschen mijn praktische dingen door, dan word ik opeens 200 blij, dan komt het zoo klaar tot mijn bewustzijn, dat ik van jou ben, en dat geen mensch ons scheiden kan. O, ik zweer het je, je zult er nooit spijt van hebben, dat je me genomen hebt! Want ik ben wel een man, maar ik ben inwendig een vriendhjke, goede, een menschhjke man, zooals jij een menschhjke vrouw bent. En daarom zullen we altijd gelukkig zijn, en nooit tegenover elkander staan, maar altijd samen. Je geeft je aan mij weg, maar ik ook me aan jou, en nooit zal ik iets doen, wat ik weet, dat je hindert: want dat zou ik niet kunnen, omdat ik je zoo diep-zalig bemin, ('t Is een afschuwelijk woord, dat „beminnen", maar 't ontvalt me daar zoo, en ik laat het maar staan, want je wéét het toch wel, dat het zoo is.) Nu, Lief! Lief! 't is etenstijd, en ik ga mij klaar maken.

Met innige hefde kust je

jouw Willem

Sluiten