Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE PERIODE

633

Je heerlijke brief kwam al om zeven uur, en ik ben er zoo stilinnig bhj mee, heve Lief! O, als je eens wist, hoe ik naar je verlang, hoe ik smacht naar je stem, een bhk van jou... Zeg ik 't soms té dikwijls, Lief, herhaal ik te veel, wat je allemaal weet, en al zoo lang? Ik schrijf 't zoo maar onbedachtzaam neer, dat ik je Hefheb, en naar je verlang ! Er is maar één gedachte in mijn hoofd, de gedachte aan jou, en niets kan er zijn, niets kan er komen, wat deze ook maar gedeelteUjk_ verdringt! Mijn heele geestelijke Zijn is zoo vervuld van jou, mijn ziel is zóó voortdurend bij jou en om je heen, dat ik, als 't ware, half-weg ben van hier, - begrijp je dat? Ik voel me niet volkomen 'n geheel als ik hier zit en schrijf en doe wat ik moet, dat gaat werktuigelijk altijd-door zijn gang, - maar mijn geest is bij jou, o, Lief, ik geloof zoo zeker, dat mijn geest altijd bij jou is, bij jou! En als deze toestand nog lang moest duren, dan geloof ik, dat langzamerhand mijn physisch leven heelemaal in een psychisch zou overgaan, dat de menschehjke dingen me absoluut geen belang meer zouden inboezemen, dat ik wel leven zou, d.w.z. me bewoog en ademde en sprak, maar eigenlijk een soort van automaat zou zijn, die leefde ja, maar aüeen omdat ze niet dood was. Maar diep-inwendig zou een etherisch leven zijn, een Zielsbestaan, waarvan alleen ikzelf en jij iets zouden vermoeden.

Ach, neen, ik heb me gebrekkig en onduidehjk uitgedrukt: ik bedoelde aUeen maar dit: dat ik aheen dóór jou, mèt jou een menscheHjk geheel kan zijn, en dat ik-aUeen maar half ben, onvolkomen. —

Ik wou je zoo graag eens iets zeggen, Lief. Ik heb je al zóó dikwijls gevraagd, of 't je niet een klein beetje vreugde gaf, dat we elkaar nu al gauw weer zullen zien, maar je antwoordt er heelemaal nooit iets op. En, o, Lief, ik zou 't zoo verrukkeHjk vinden, als je er eens iéts van zei, een klein gezegde maar, een even toespeling er op. O, Lief, dan zou 't voor mij dubbel heerlijk zijn, dan zou ik 't oneindig goddelijker vinden dan ik 't nu al vind. Ach, toe, Lief, zeg eens even, even maar, dat je 't een klein beetje prettig vindt?

Veenstra schrijft me, dat hij half September met mijn Verzen begint, omdat Impressies deze najaarsreis weer meegaat, en hij er dus liever geen proefblad van nóg een dichtbundel bij wou doen. Ik heb nu ook de overige pres.exx. van Hartstocht gekregen.

Dit wou ik je ook nog even vragen: zal ik je, waarin 'k je verdere verzen heb gecopieerd, het tweede cahier dus, ook sturen? 't Kon zijn, dat je ze voor pubHcatie noodig had, want in het eerste schaft

Sluiten