Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE PERIODE

645

geschreven, dat je prettig vond, dat ik niet wrevelig of 200 iets op je was geworden, dat ik altijd even 2acht en vriendelijk voor je was. Maar, Lief, als ik wrevelig op je kon worden, dan 2011 ik je immers niet 200 hefhebben, als ik je hefheb in werkehjkheidl Jij bent een meisje, eerbiedwaardig van oprechtheid, je geeft je 2iel volkomen, en daardoor ben je uniek. En 't is mij 200'n bewijs, dat je mij ook voor een volkomen 2uiver en onkreukbaar mensch houdt, wat ik ook in waarachtigheid ben. Want anders 2ou jij, die toch ook van de wereld weet, hoe die eigenlijk is, en hoe de menschen 2ijn over t algemeen, niet 200 tegen mij kunnen doen, als je nu 2onder ophouden, hebt gedaan.

Ik had je al 200 hef, maar ik krijg je toch hoe langer hoe meer hef, - je neemt me langzamerhand, en dat vind ik 200 heerlijk, heelemaal in. *

Ik ben 2onder ophouden en 2onder einde van jou alleen.

Zacht kust je en innig, alsof je een heihgen-beeld was,

jouw eigen Willem,

* *

Liefste, Toen ik 2ooeven mijn brief had weg-gebracht, kwam de gedachte in mij op, of ik 't nu wel heelemaal duidelijk en overtuigend ge2egd had, dat die door jou bedoelde identificatie van mijn fantasie en de realiteit al lang, o, al 200 lang heeft plaats gehad, - dat 't me niet meer mogelijk is je te 2ien als „fictie", als waan-beeld, als schijn, dat ik je 2ie, dat ik je hefheb, als de mensch, die je bent, de levende, ademende, 2ich-bewegende mensch, - een mensch, wel hooger' beter, nobeler, wel godlijker begenadigd, dan al de anderen 2ijn, maar toch een mensch, die me steunt en opheft en troost en kracht geeft en bemoediging en wil, die me den levenslust doet kennen, den levensvrede en den levensmoed, door 2ijn menschehjke daden en woorden, - om wiens hals ik mijn arm kan slaan, aan wiens schouder k mijn hoofd mag vlijen. - Doordat ik je heb leeren kennen, 2ooals je va. werkelijkheid bent, - doordat je mij je levende 2elf hebt getoond, ben je voor mij een waarachtig-bestaand mensch geworden, - is je 2iel en je menschehjke Zijn voor mij één volkomen geheel. O, mijn

aS *ïeb me nu be?rePen> v°el je, dat het de waarheid is?

Al laat ik de2en brief nu nog weg-gaan, ik bedenk me, dat je hem tóch met voor Maandagmorgen krijgt; ik laat hem dus maar

Sluiten