Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE PERIODE

649

Ben je nu een beetje blij, Lief? Mij maakt het vooruitzicht veerkrachtig, dat voel ik, en ik ga nu naar bed, met een heerhjk gevoel van: Alles komt terecht!

Geloof in mijn hefde, die nooit vermindert!

En word door de vlekken in dees brief niet gehinderd.

Goeden nacht, goeden nacht, maar jij ligt al lang op 't dons,

Naar ik hoop niet geplaagd door der muggen gegons,

Maar door droomen bezocht, die je zullen vertellen,

Dat ik je je heele leven zal vergezellen!

Ln vreugd en emst, bij werk en pleizier,

Steeds tokkel ik teeder, o, Lieve, de her!

En nimmer zult gij mij 's morgens betrappen,

Dat ik met 't verkeerde been 'tbed uit kwam stappen,

Want altijd bhjf ik goed-gehumeurd,

Zoolang jij tenminste mij waardig keurt,

Te wezen een slanke riethalm, die neêrleit,

Voor uw vorsthjke voetjes, die 'k kus vol teerheid. Deze dichterlijke ontboezeming Improviseerde ik nog net, Voordat 'k ter droom-opbloeseming, Mij. nedervhjde in bed.

Tot morgen, Lief!

Ziezoo, 't is Zondagmorgen, en de heele familie op reis, naar Amsterdam, geloof ik. v erster is ook niet thuis.

Ik ga nu straks in mijn eentje koffiedrinken beneden. Dan stel ik mij voor, dat wij getrouwd zijn, maar jij bent dan op de vlucht met den eersten luitenant van het Litterair Maandschrift en Redacteur van het derde regiment Huzaren. Jullie loopen dan samen, op de vlucht, in de Scheveningsche Boschjes en declameeren daar het volgende duet:

Jeamu. O, letterkundigeen krijgshafte Karei,

Poëtisch pronkstuk van mijn maagdenziel!

Karei. O, vlekloos-glanzenrijke, reine parel

Die uit de kroon van St. Gecielja viel!

Jeanne. O, Redacteur en Man! O, heerhjk-zoete Inkt-zwart gegalonneerde luitenant!

Sluiten