Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE PERIODE

6ji

geweest, als je zoo op mijn kamer zat. Want ik dacht dan: Jeanne is nu wel hchamelijk hier, maar haar geest is heel ergens anders, en ofschoon ze aan mij niet bepaald het land heeft, zij denkt toch aan, en zoekt haar Verbeeldings-hef en vindt dat niet in mij.

Weet je nog, dat ik wel eens met mijn hoofd in mijn handen bij de tafel ben gaan zitten, terwijl jij op de kamer was? Ik kreeg dan een gevoel, of de grond onder me weg-zonk, of ik absoluut alleen was, schoon toch mijn „meisje" op mijn kamer zat. En het eenige, waar ik mij door op kon houden, was de gedachte, die ik wel met zeker vond, maar waar ik mij toch aan bleef vast-klampen: Misschien komt later alles terecht, als zij mijn werkhjk Zijn maar eerst ziet. En: als ze er eenmaal behoefte aan voelt om een werklijkheid lief te krijgen, ben ik er toch waarschijnhjk het eerst aan toe om die werklijkheid te zijn. En nu ben ik zoo diep-gelukkig, dat je begint te voelen, dat je van den werkehjken Willem houdt. O, Jean, je zult er nooit spijt van hebben, ik zweer je, je zult er gelukkig door zijn, zóó gelukkig als een mensch maar op de wereld kan wezen, want ik ben iemand, die met sympathie onder een hoedje te vangen is.

O, Lief, Lief, ik heb je zoo hef, en ik verlang zoo naar je: hoor je 't, hoor je 't, Lief? ik verlang naar je, ik verlang naar je, ik verlang naar je. O, je lach weer te zien en de uitdrukking van je oogen, als die mij aankijken! O, te voelen, dat het je pleizier doet, als ik kom! O, je maakt mij zoo gelukkig!

Want vroeger, - ik zal het je maar zeggen, - vóór ik jou had, vóór ik jou kende, dacht ik heel dikwijls: Wat voer ik toch eigenhjk op de wereld uit? Voor mijn eigen pleizier ben ik hier heelemaal niet, en mijn werk? Och, die paar menschen, die daar wat aan hebben, die zouden er ook heel best buiten kunnen. Maar nü, nü weet ik, dat ik voor jou leef, dat ik een roeping heb in mijn leven, die is, om jou gelukkig te maken, zooveel ik dat kan. En dat kan ik wel, vooral omdat ik je nu voortaan vrij mag kriebelen, zooveel ik maar wil. Daar heb ik permissie voor van van Kempen, den goudsmid, waar wij mijn en jouw ring hebben gekocht. O, zalige ik! Nu mag ik je voortaan kriebelen onder je armen met dien vinger van me, waar de ring aan zit! Van Kempen is tegelijk mijn wethouder en mijn dominé voor het kriebelen. Ik moet alleen oppassen, dat Jan B. het niet ziet! Want ik geloof, dat die je graag kriebelen wou met zijn oogen. Arme jongen! 't is eigenhjk flauw van me, dat ik zoo met hem scherts.

Sluiten