Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE PERIODE

659

moest. De toekomst, die nu al op handen is, waar we, na niet zoo heel lang meer, den eersten stap op zullen zetten met veerkrachtige beweging, die hing toen nog heelemaal in de lucht, nietwaar? Wij hadden er zelfs nog niet eens positief over gesproken, geloof ik. Zoo komt alles en alles, in voortdurend vreugdevolle afwachting, als jij maar het tegenwoordige weet te genieten en te apprecieeren, door vergelijking met het vroegere Zijn. Ik denk dikwijls: als ik Jeanne nu niet had, wat zou dan eigenhjk mijn leven wezen, hoe ellendig, hoe leeg, hoe zonder eenige hoop! Dus voel maar goed en precies het tegenwoordige, hoe prettig dat, vergehjkenderwijs al is, en dat zal nu hoe langer hoe prettiger worden, hoe verder de tijd komt. De tijd gaat wel wat langzaam, en dus ook de dingen in den tijd, maar hij gaat toch, hij gaat toch, altijd doorl

Zoo spreek ik tegen mezelf, als ik ongeduldig word, Lief! Kan dat jou ook niet een beetje gelijkmoedig maken? Want één ding staat vast, onwankelbaar-eeuwig, en dat is mijn Liefde voor jou. Die is niet den eenen dag zus en den anderen dag zóó, maar die is aldoor stijgender, of hever, zij stijgt aldoor hooger in mijn bewustzijn, want mijn intuïtieve, onbewuste gevoel voor jou is, geloof ik, altijd even sterk en innig geweest. Door mijn intuïtieve hefde voor jou, worden al mijn gedachten en daden bestuurd, nu al vier en een halve maand lang, en hoe langer hoe klaarder wordt het mij tevens, met iederen dag, dat ik mij in geen enkel opzicht in je heb vergist, want dat jij de zuiverste en prachtigste mensch bent, die er op dit oogenbhk leeft in ons land.

Nu moet je dit niet voor koele redeneering houden, en denken: „Och, Willem voelt ook niet zoo als ik." Want ik ben juist verschrikkehjk-hevig in mijn gevoel, maar ik tracht altijd, zoo lang het moet, het in te houden, het niet heelemaal bewust te doen worden tenminste. O, als ik er aan denk, dat ik over een week bij je op je kamertje zal zitten en je zal aanzien, dan voel ik als een sluier over mijn oogen komen, en hard-op bonst mijn hart in mijn borst. O, ik heb je zoo hef, mijn Jean!

O, er wordt beneden weer zoo getrommeld en gebeukt! Ik ben zoo even de deur al uitgeloopen, en heb een drie kwartier gewandeld, om mijn ooren en hersens even rust te geven. Maar toen ik terugkwam, was het nóg aan den gang! Enfin, 't duurt nu betrekkelijk nog maar kort, dat ik hier ben.

Sluiten