Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE PERIODE

6%

dat ik je zoo zwoegen liet. O, wat zal ik blij zijn, als 't heelemaal af is!

Wil ik je eens wat zeggen, Lief? 't Is zoo goed, geloof ik, dat ik dat geschreven heb in mijn Kroniek, dat verzen-begrijpen niet allemanswerk is. Want, naar ik hoor, vinden de menschen dat vers „Papaver" heelemaal onzin. Dat moet zóó komen: de menschen lezen zóó'n vers, alsof 't een feitelijk nuchter couranten-bericht was, en als 't dan bij den eersten inkijk niet bij hen inslaat, gaan ze door in zichzelf, op de eenmaal gangbare opinie, dat die Kloos 200 „duister" is, en beginnen daar tegen anderen over te kletsen. Maar daar slaat nu juist zoo heerhjk die passage van mij op, over het begrijpen van verzen.

De menschen vergeten te veel, dat het met verzen precies gaat als met beeldende kunst, bijv. met schilderijen. Iedereen heeft oogen, waarmede hij de natuur, zoowel als de schilderijen kan gewaar worden, die hij toevallig ziet, zoowel als dat iedereen lezen kan, en den algemeenen inhoud, het onderwerp van ieder geschrift, dat hij voor zich krijgt, in zich op kan nemen. Maar om een schilderij of een gedicht te kunnen begrijpen en dus beoordeelen, daar hoort nog heel wat meer toe dan praktische leeskunst of gezichtsvermogen alleen. Om een schilderij op zijn juiste waarde te kunnen appreciëeren, moet men iedere kleur en iedere hjn, op zichzelf en in hun onderling verband kunnen waardeeren, en zoo ook moet men in een gedicht ieder woord, ieder zinsdeel, ja, iederen klank voelend kunnen genieten, of het onaangename, onpassende ervan kunnen voelen, voordat men recht heeft er een oordeel over uit te spreken. Misschien vind je mij een beetje schoolmeesterachtig, als ik zoo spreek. Maar ik geloof toch heusch niet, dat ik een schoolmeester ben. Want ik maakte mij nu erg de abstractie bewust van wat er in je geest eigenhjk omgaat, als men zich bevindt in de juist-beoordeelende houding, tegenover een schilderij of een vers. Maar bij het feitehjk beoordeelen maak ik mij die dingen natuurlijk nooit zoo bewust: ik krijg dan in de eerste plaats gevoelsindrukken, die niet subjektief zijn, maar de juist-weergevende vertegenwoordigers van het op het oogenbhk te voelen vers.

Wat een abstracte redenatie, hè, Lief? Verveelt het je niet? Maar je weet wel, dat je Wülempje niet dikwijls zoo is en vooral niet tegen jou. O, als ik, zooals vaak gebeurt, aan jou zit te denken, gestadigdoor, met weg-zetting van alle andere gedachten, dan krijg ik zoo ;a overweldigend verlangen naar jouw nabijheid. Ik geloor zeker, als ik vleugels had, dat ik dan naar je heen-vloog, mijn armen om je heensloeg en ver uit de oogen der menschen met je opzwierde, hoog,

Sluiten