Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

huis niet. Weer anderen zijn den eenen dag welwillend en den anderen dag niet. Men moet zoo welwillend mogelijk zijn, waar dan ook en wanneer dan ook. Indien echter voorrang bij het betoonen van welwillendheid noodig is, moet de naaste omgeving voorgaan. De ware welwillendheid begint thuis.

Welwillendheid kan niet samengaan met gierigheid. De gierigaard helpt arme menschen zoo weinig mogelijk, want armenhulp kost geld. Men herkent den gierigaard aan zijne onbehoorlijke kleeding, want behoorlijke kleeding kost geld. De gierigaard heeft geen geld, maar het geld heeft hem. Gierigheid wordt erger naar mate men ouder wordt. Gierigheid is geene zuinigheid, want een zuinig mensch ontzegt zich het noodige niet. Welwillende menschen zijn ook met hun geld welwillend.

Wie voortdurend baadt in den stroom der welwillendheid, bevrijdt zich daardoor van een groot aantal gebreken. De welwillende mensch hindert niet, huichelt niet, beleedigt niet, bedriegt niet, benadeelt niet, wondt niet, doodt niet (tenzij uit noodweer), is niet oneerlijk, klaploopend, hebzuchtig, behaagziek, jaloersch, valsch, plaagzuchtig, stijfhoofdig of haatdragend. Men kan niet vergen, dat gij voor iedereen liefde gevoelt, maar men kan wel vergen, dat gij iedereen vriendelijk behandelt. In de

Sluiten