Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1927

i6

toe1): „Dit is mijn eenige troost bij het verlies van mijn moeder, dat ik thans alle vrouwen mag haten."

Als Stoïcynsch wijsgeer kan Seneca niet nalaten zijn treurspel te doorweven met allerlei moraliseerende opmerkingen en algemeene beschouwingen, — veel meer dan wij die bij Euripides aantreffen. Die sententies van den Romejnjfchen philosoof hangen natuurlijk samen met hetgeen in het treurspel plaats vindt; en daarom mogen enkele ervan hier wel vermeld worden, wat zij zeker verdienen als lezefl^yyaardige menschkundige opmerkingen, ook al dragen zij niet onmiddellijk bij tot de karakterteekening der personen2). Zoo heet het in den eersten koorzang over de algemeene heerschappij van den geslachtsdrift 3):

„Jonge mannen doet Amor in hartstochtelijke liefde ontbranden; bij afgeleefde grijsaards wekt hij het uitgedoofde vuur. Het hart der maagd doet hij ongekend kloppen; Goden gebiedt hij den hemel te verlaten, om als menschen vermomd op aarde te wonen."

Elders heet het4): „Waarom woont een reine liefde in de kleine hut, heeft de burgerman een gezonde opvatting van liefde en weet de middenstand zich te beheerschen? Waarom daarentegen streven zij, die rijk en in hoogheid gezeten zijn, naar meer dan het recht gedoogt?" En weer elders5): „Zelden rustte op der mannefl schoonheid zegen."'

En in den tweeden koorzang lezen wij over de vergankelijkheid der lichamelijke schoonheid6): „Schoonheid,

1) Vs. 578.

«) Wij volgen hier, evenals boven, de vertaling van Prof. J. van Wageningen.

3) Vs. 290—95.

4) Vs. 210—14.

5) Vs. 820.

6) Vs. 761—63 en 773—77.

Sluiten