Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schynt hem zeiven te overtreffen, en uyt de Heerlijckheyd des grooten Salomons zynen glans te scheppen. Want gelyck hier de stoffe uytnemende is, alzoo is oock de kunst ongemeen, en de gedichtlievende Lezer word van een aerdsche tot een Hemelsche glori opgetogen". In de Voorreden verhaalt hij hoe aarzelend hij tot zijn arbeid overging, maar dat ondanks de vrees zijn plompe handen aan dit zuivere te slaan, een heimelijke hartstocht hem ertoe gedreven heeft. „Ick wiekte. Ik waegde 't." En er ligt al een sterk bewustzijn van zijn dichterlijk vermogen in de verklaring „dat wy zoetelijcker hadden mogen vloeijen zoo wy ons niet naeuwer aende text wilden binden".

Deze vertaling is dan ook een werk van beteekenis. Du Bartas begint zijn Magnificence met een innemende zelfverdediging. Gij teedere geesten, zegt hij tot zijn mededichters, hoe gelukkig zijt ge, daar, al naar ge u gedrongen voelt, ge uw gedichten korter of langer maakt, en uw brein niet inspant op een omvangrijke arbeid, maar van tak op tak gaande, nu ernstig dan lieflijk behandelt wat zich het eerst u aanbiedt, en soms in liederen, dan in epigrammen, de hitte die u stookt, ontsnappen doet. Dan vervolgt hij:

Mais mon honneur, mon vocu, 1'arrest au Ciel donné, Me tient comme un forcat par les pieds enchainé A ce dur attelier, mon ame ailleurs ne songe, Autre desmangeaison nuit et iour ne me ronge, Ie semble trop actif, la pierre du moulin Q'un flot impetueux tourne tourne sans fin.

25

Sluiten