Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegen de uitdrukking „het langere gedicht" kan men weliswaar bezwaar maken. De middelste drie zijn reeksen van kleinere gedichten, het eerste en het laatste zijn drama's, waarin de alexandrijnen door koren in kortere verzen worden afgewisseld. Toch is elk van die vijf werken een uitvoerige arbeid, geheel of grootendeels in de genoemde versvorm.

Beschouwen we eerst Het Pascha. Het is de eerste groote verbeelding van de dit jaar gehuwde. Zelf in verwachting vader, kon hij met hartelijk meegevoel de smart van Abraham beleven die zijn zoon moest slachten, en vertaalde hij De Vaderen, tegelijk, zooals hij later zoo vaak deed, om zich te bekwamen tot het werk dat hij voorhad. Voor zijn onderwerp kon hij er weinig aan ontleenen. Van éen plaats, door Van Lennep reeds opgemerkt, kan men zeggen dat hij haar overnam. Als, in de Vaderen, Isaac, van God sprekend, tot Abraham zegt:

den Hemel is syn stoel, D'aerd syner voeten banck, en d' onverlichte poel Daer de rampzalighe in voor s'Duyvels wreedheyt

[swichten,

Ist doel waer in hy spilt van synen toorn de schichten, en in het Pascha Godzelf, als hij Mozes verschijnt, aanheft: •

Den Heemel is myn throon, d'Aerd mynder voeten banc En 't Helsche Keyserryc 't wit van myn pylen stranc—

dan kan een zoo groote overeenstemming geen toevallige gelijkheid of onbewuste reminiscentie zijn. Maar overigens ligt het meer voor de hand naar

28

Sluiten