Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het vervolg zijn zal. Mozes en Aaroa komen en veranderen hun smart in een blijdschap die onverwijld door het koor bespiegeld wordt.

Als de Zee vast ongestuymich Stormt, en worpt heur baren schuymich Na den hemel al verbaest, Als de Schipper hoort de buyen Vanden Noord-wind 't strant doorluyen, Is de stilte eerst aldernaest.

Zoo ooc God. —

Men stelle zich voor een Amsterdammer van die tijd te zijn, vertrouwd met de Bijbel, verheugd over de nederlaag van Spanje, en dan naar dit stuk te luisteren. Men zal dan zien dat het woord voor woord met de grootste nadruk doordringt en genoten wordt. Dit koor zelfs, dat lang schijnt, wordt kort, als men, zulk een zijnde, zijn eenvoudige gedachtegang volgt, namelijk dat God de mensch nu door goed, dan door kwaad beproeft, 't laatste het meest naar hij hem meer liefheeft, dat God zóo de Joden beproefde en hun daarna Mozes tot een verlosser zond, Mozes die het volk de wet gaf, en de weg wees naar Kanaan, waar het God lovende haken zou naar een hooger land.

Acht het aertsch dan veel gheringher Als het Hemelsch, daer de vingher Van syn zoete wet op wijst.

De heele strekking van het stuk — en Vondels innigste aandrang — is hierin al uitgesproken: christelijk te zijn, een hemel te kennen in onder-

3

33

Sluiten