Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deele wel, omdat een aandachtig volgen van de ontwikkeling in Vondels vers vanzelf veronderstelt dat men geen schakel overslaat; maar toch nog meer om de indruk te versterken hoezeer Vondel een gelegenheidsdichter is geweest.

Vóór het jaar 1620 eindigt, schrijft hij behalve de reeds genoemde nog tal van verzen. Bij geboorte, verjaring, huwelijk en overlijden, bij boeken en plaatwerken, en naar aanleiding van gebeurtenissen in het leven van stad en staat, bij iedere gelegenheid vindt hij een uiting, die telkens weer een nieuwe variatie is op zijn vers- en strofen-vorm.

Terwijl hij, reeds eerder de dichter van waarlijkpiëtistische kerkelijke liederen, eenerzijds schreef:

Geen Rijck bestendigh is als 't Hemelsch Koninghrijck Daer Jesus heerscht —

en al de Helden van het Oude Testament aan zijn geest voorbij ziet gaan, als de heirschaar die hij op zijn wijs, gelijk Bartas op de zijne, zijn leven lang zou uitbeelden, omvat hij anderzijds de heele werkelijke wereld.

Deze polariteit vond haar eenheid in een sterke lyrische drang, een behoefte en vermogen zich uit te storten. Maar onrniddelijk heeft deze eigenschap ook weer haar andere pool in de kracht zich lang en aanhoudend saamtetrekken op een onderwerp. Ronsard, Du Bellay, Du Bartas, hadden de dichters geleerdheid als eisch gesteld. Vondel aanvaardde die eisch, en daar hij een bespiegelend dichter was, moest in zijn vers een eenheid ont-

40

Sluiten