Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

del van nature eigen was, vervangen door de verbetene, de ironisch-zeggende. Gomarüs en Arminius, de verkondiger van het kontra-remonstrantsche en die van het remonstrantsch geloof, leggen hun redenen in de weegschaal. Gomarus, de „arme knecht"—de „sukkel" ligt in dit woord opgesloten, — doet de schaal overwegen doordat hij Beza en Galvijn er inwerpt. Maar de „schrandere" Arminius stelt er de Advocaat tegenover en het Stadsbestuur en „het breyn dat geensins scheen Ydel van gesonde reên". Doch de Prins, Maurits, wierp zijn zwaard in de andere, en wat zou daar tegen op kunnen! Toen aanbad elk, d.w.z. de domme menigte, de Pop van Gomarus, te weten het Afgodsbeeld van de Predestinatie, en Arminius werd uitgeworpen. Zoo was het vers bij de prent die dit voorstelde.

Vondel had partij gekozen: er valt niet aan te twijfelen. En waar hij als dichter optrad tegen kerkelijke heerschzucht, kon het niet anders of zijn plaats moest vooreerst bij de Humanisten zijn.

Het is een andere vraag of die plaats hem op den duur zou bevredigen. Hij was te zeer een geloofsman en een gemoedelijk christen, dan dat hij blijven kon in een sfeer waar hoogstens, terwille van een algemeen menschelijke ontwikkehng, een christelijke geloofsgelijkheid verlangd werd, maar men liever het zwijgen oplei aan alle ijveren voor eenige belijdenis.

Voorloopig evenwel bleef hij er, ging als kunstenaar open, scherpte zijn geest, verfijnde zijn

44

Sluiten