Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zintuigen, nam toe in kennis van klassieke voorbeelden, en kon zelfs hopen, aan de hand van een leermeester als De Groot, opziende tot een heilige als Erasmus, langs de weg van de menschelijkheid een religieuze katholiciteit te benaderen.

Hij vertaalde dan Seneca, eerst de Troades, later de Hippolytus. Die stukken hebben niet alleen de zware lyrische stroom waarvan ik sprak, die Vondel onmiddelijk herkennen kon als verwant aan zijn eigene; maar ook de gesloten dramatische bouw, waarvan hij tot dat oogenblik zelf nog maar weinig blijken gaf. Tot het vormen van zulk een bouw behoort behalve een vaste geest ook een fijn gevoel voor het evenwicht van de verschillende deelen, opdat noch door innerlijk gewicht noch door uiterlijke lengte, eenig deel de gang van het geheel zal hinderen. Wat Seneca in Vondel wakker gemaakt of versterkt heeft, is zeker het besef dat een drama ten slotte geen zangspel is. Hij moest, als gevolg daarvan, zijn aandacht op de koren richten: allereerst de reizangen opgesloten houden tusschen de bedrijven, dus niet achter het vijfde bedrijf er nog een toevoegen. Niet de zang, maar de rede, niet de strooming maar de stand doen kennen als het beheerschende. Dan, evenwel, aan het koor als tooneelpersoon niet nog eens een tweede koor tegenoverstellen: een eisch die Seneca doorgaans, hoewel niet altijd, opvolgde. Van Vondel was dit heel veel gevergd. Te beginnen met de Maeghden legt hij zich die beperking op, en aanvaardt daarmee de grootste en nu blijvende verandering in de

45

Sluiten