Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maer laet God rechter van 't gemoed, Uw Vader storte hierom sijn bloed.

Soo dat geschied, soo sal de vrye

In liefd tot Hollands heerschappye Ontvoncken —

als men dat leest, voelt men wel dat in dit gedicht geen onnoodige omslag heerscht, dat hier de toon is van een bedwongen aandoening, die door een vormelijke aanspraak heen—zulk eene als de aangesprokene best verstaan zou — met een boodschap komt die geen uitstel lijdt. De Burger wendt zich tot de Vorst, en vergt hem, met de uiterste vrijmoedigheid, wat hij voor zijn land dienstig acht. Zijn heele lange rede, in korte paarsgewijs rijmende verzen, waarin vasthandig de daden van Frederik Hendrik, trek aan trek, worden gegrift en verheerlijkt, vol als ze is van bizonderheden, snelt inderdaad aan op het doel dat hij zich gesteld heeft: geen oorlog is goed dan terwille van geloofsvrijheid.

Vondel kon zijn gedachten uitspreken met een waarlijk onbekommerde sierloosheid. Zijn Roskam bewees het wel. Maar hij kon het ook, waar noodig, in de plooienrijke kleedij van zijn tijd.

Wat een schreeuwende felheid is er in de Triomftorts, en toch, hoe maatvol is het. Later schrapte hij de vier slotregels die hij tot de vervolgende Calvinisten gericht had. Zij hoorden er ook niet bij. Maar dat zij hem ontschoten bewees wel dat de eigenlijke inhoud van zijn gelegenheidsgedichten niet de gebeurtenis was, maar zijn eigen innerlijkheid.

54

Sluiten