Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat reeds in 1630 aan de Remonstranten een bedehuis gegund werd, was hem reden geweest tot voldoening; maar hij behoorde niet tot de Remonstranten, rekende zich tot die onkerkelijke groep die voor zich een plaats boven de partijen wenschte. Die groep kreeg haar eerste burcht in het Athenaeum, zou zich een tweede bouwen in de Stadsschouwburg; en waar beide onder de hoede van de Overheid verrezen, kon Vondel het gevoel hebben dat een blijvende verovering bevochten was en er zich ook voor hem, als dichter van de hoofdstad, nieuwe mogelijkheden hadden geopend.

Geen wonder dus dat er een ongewone bevrediging spreekt uit zijn Inwying der Doorluchtige Schoole. In zijn hart mocht nog iets anders zijn dan de behoefte aan deze zuiver-humanistische bevrediging: wij wachten eigenlijk van 1620 af het oogenblik waarop de Christen in hem het weer van de Humanist winnen zal; maar vooreerst moest die behoefte haar ideaal zien naderen.

De Wysheyt setmen op den hooghsten trap, Beschoncken met den glans der burgerschap, En toegejuycht, met vrolyck handgeklap

Van braeve geesten. Nu yckt de Deughd de sielen, met haer merck. Nu sweetmen in 't Socratisch worstelperck. Nu boutmen aen de zede-en-redekerck,

Doorgalmt van leering.

Was hij het zelf niet die grieksch zou leeren van de jeugdige zoon van professor Vossius? En heeft

56

Sluiten