Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij onderscheidde zich daardoor van de hollandsche dichters, redenaars, geleerden, staatkundigen; was meer een internationale geest, voor ieder verstaanbaar, en toch uitstekend boven de meesten, omdat zijn eenvoud en natuurlijkheid, in dienst van groote doeleinden, geschoold waren door een levendig verstand en bezield door een werkelijk gevoel. Zijn taal was ook hierom indringend omdat ze melodieus was.

Wanneer wij nu letten op sommige van Vondels gedichten uit die jaren* zijn Vertroostinge aen Vossius, zijn Lyckklaght aen het Vrouwekoor over het Verlies van mijne Ega, zijn Bestand tusschen Polen en Zweden, zijn lijkdichtje op Isabel le Blon, zijn Danckdicht aen Jacob Baeck, dan ontmoeten we diezelfde melodieus-indringende natuurlijkheid en eenvoud, als hun eigenlijk karakter, met alleen de hoogere glans en de diepere ontroering die zijn woord en zijn gemoed eigen waren.

Tot die vernatuurlijking zal zeker niet alleen de studie van Vergilius, maar meer nog die van Euripides hebben bijgedragen. Dat Vondel die kende en vermoedelijk ook reeds de andere grieksche tragici, blijkt uit de Voorrede tot zijn vertaling, waar hij hem op zulk een wijze noemt dat dit eruit valt afteleiden. Bij de studie van die dichters en van de genoemde stijl vereenvoudiging viel voor hem de nadruk op de mogelijkheid tot ontroering die erin besloten lag. Was ontroering, zoo uitgedrukt dat ze op ieder hoorder makkelijk kon overgaan, niet in een tooneelstuk liet eerstnoodige?

62

Sluiten