Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aandrift, maar naar de gezuiverde tekst van het vroegste Christendom hadden de Hervormers de geloovigen teruggevoerd en het was al veel zoo hun kerken zich daaraan alleen gebonden achtten. Het had niet mogen zijn: tusschen de leek en de Bijbel stelde zich hoe langer hoe meer het oude, het hier meer daar minder gewijzigde gezag van leerstellingen en geestelijkheid, een gezag dat ten slotte zelfs over de staat zich trachtte uit te breiden en in menig opzicht macht erover verkreeg. De Doopsgezinden bleven ter zijde, de Remonstranten werden vervolgd, de Contra-remonstranten moesten door de Overheid worden in toom gehouden.

Aan deze strijd om het gezag had Vondel deelgenomen. Niet als ook een kerkelijke, niet als zelf Overheid, maar als door de Overheid gesteunde vertegenwoordiger van een humanistische beschaving, als bezitter van een ideaal boven de kerken, maar dat hij toch, anders dan andere humanisten, van de kerken niet geheel kon losmaken. Hij was en bleef immers de dichter van het Christendom, hoe veel heidensche vormen ook door zijn geest werden opgenomen.

Of zijn christelijk ideaal, de droom van een wereldomspannend christendom, het gezag herwinnen kon dat het vroeger bezeten had?

Het zou niet vreemd zijn als die vraag bij hem was opgekomen en meteen ook die andere: hoe won het oudtijds zijn gezag?

Het antwoord vond hij in de geschiedenis van de Kerk en in de geschriften van de kerkvaders.

75

Sluiten