Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tooneel aangevangen. Zelfs als op het eind de wraak van de Paradijsslang gemeld wordt, is dat niet voldoende om de lofzang te temperen, die in de belofte van de komst van Jezus een nieuwe verheffing vindt.

Als we dit overwegen, en nog even terugzien, dan zouden we kunnen zeggen dat het lyrischdeklamatorische vers, waarvan Vondel, onder invloed van Du Bartas, was uitgegaan, en dat hij later, zich tot zijn stof als kunstvol uitbeelder verhoudend, vervangen had door een vers dat onbevangener, in rede, tegenrede en zang, zijn tafreelen kon op het tooneel brengen, reeds in de Maria Stuart tot zijn eigen aard, maar nu gezuiverd, als meer zingend dan sprekend vers terugkeerde.Want ook dit werk, en de Leeuwendalers, en de Salomon, waren geen uitbeeldende kunst geweest: alle droegen in hun toon het lyrische, meer dan het dramatische accent.

Wij zullen zien dat die lyrische toon zich in Vondels vers, ook en niet het minst in zijn drama's, voortging te ontwikkelen.

86

Sluiten