Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun vader Laurens Joosten, dat hier zijn trekken leent. Zooals daar het huis over de duinbeek heen gebouwd was, zoo hier de burcht van de Kuischheid, wier witte muren men bij zonneschijn

Wt de toppen blincken siet Van rieboordetjes en riet.

Toen Vondel dit gedicht herzag, het kuischte en veredelde, vond hij die herinnering aan de rieboord of raboord genoemde bloembies niet waardig genoeg, en deed hij het slot uit een „lauwerwoud" te voorschijn komen en omringde hij het met „palm". De oude uitgave bevatte daarentegen een prentje waar men de buitenplaats zelf zag met de duinen op de achtergrond.

Van Lennep noemde de verandering een verbetering omdat een slot niet heel hoog hoefde te zijn om boven oeverplanten uit te blinken. Maar dat wist Vondel, toen hij die regels schreef, ook wel. Juist dat hij het zeker wist en nochtans schreef zooals hij deed, bewijst dat hij naar een indruk werkte; naar de indruk namelijk van een man die in de wei ligt en riet en huis bij elkander ziet. Wat Vondel wou wegwerken was dat indrukmatige, de onmiddelijke invloeiing van een werkelijkheid in zijn verbeelding. Bij zijn weldra veldwinnende opvatting paste die niet. Dat dit zoo is blijkt ook uit zijn wijziging van de strofe waarin hij besclirijft hoe de maagden van de burcht hun vrouw zagen uitrijden.

88

Sluiten