Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geen blijde Moeder word, zoo menighmael zy baert, 't En zy van Koningen.

En opgetogen klinkt het:

Dat 's baeren; dat 's beklijven: Dat 's 't aerdrijck geregeert door haer geslacht en aerd. Dat heet door hijlicken de koningkrijeken stijven.

De aanhalingen zijn voldoende om te doen zien hoe Vondels bruiloftsgedichten gebouwd waren: telkens de werkelijkheid van een bizonder geval, opgenomen in meer of minder breede mythologische omlijsting. Ook dat sommige ideeële trekken er overheerschend in uitkwamen. Hoe ouder hij wordt hoe meer hij uitsluitend de natuurlijke paringsdrang zal waarnemen, die in beide geslachten werkt, maar de meisjes „weigerlijk" maakt en „geestig veinzend". Zijn beekgedicht aan Catharina Baeck is een fraai staal van zijn meening dat men niet te lang ongepaard moet blijven. De terughouding kan enkel zin hebben als zij prikkelt tot vuriger omhelzing. De natuur begeert het; maar ook zoo alleen bouwt men huizen en staten. Dat in het Paradijs de eerste gepaarden leefden ontroerde hem nog in zijn ouderdom.

Men kan zulke gedichten niet lezen zonder gedrongen te worden tot de overweging van Vondels plaats in de samenleving. Aan de beschouwing van zijn bruiloftsdichten kan men die van zijn geboorte- en lijkdichten verbinden. Zij luiden in en uit wat door de paring ontstaat en blijft voortbestaan. In samenhang van mythologie en werkelijkheid zijn niet alleen zij eraan overeenkomstig, maar

IOO

Sluiten