Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar wanneer de gedachte als levend organisme zich opdringt ontstaan al spoedig de enjambementen. Soms bij uitzondering, maar soms als macht die zich gelden doet en die evenzeer als woord en vers haar heerschappij oefent. Bij Vondel ontstaat, terwijl het woord nog altijd gezag voert, al heel spoedig strijd tusschen vers en volzin. Het is de ernstige behoefte van een nadenkende geest, die zijn gedachte wel aan het vers onderwerpen wil, maar nooit zoo dat ze niet als vrij en onafhankelijk element in het gedicht zou kenbaar blijven. Vooral omdat hij gehecht blijft aan het woord, en het vers nooit zijn klank ontneemt, wil hij de gedachte en daarmee de volzin zich onbelemmerd laten uitleven. Het vers heeft zich eenvoudig ermee te verstaan, ernaar te voegen zelfs. Die zelfde eisch stelt hij aan de strofe. Een strofe heeft vaak kortere regels, een strofe heeft de sterke neiging haar abstracte vorm aan de zin op te leggen. In beide gevallen verliest de zin zijn voorkomen van onafhankelijkheid. Dit nu gedoogt Vondel nooit. Hij verlangt een onvoorwaardelijk recht van enjambement, en verder een onvoorwaardelijk recht om de abstracte vorm van de strofe te doorbreken. Bestaat bijvoorbeeld de strofe uit twee, of drie, of vier onderscheiden deelen, door de rijmschikking duidelijk onderscheidbaar, dan verdeelt hij zijn zin herhaaldelijk anders. Hij dwingt dus de hoorder, nooit meetegaan met de strofe, te weten met haar afgetrokken schema, maar voortdurend het levende bewegen van zijn zin te volgen.

107

Sluiten