Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijking van zijn drama's leert dat klaarheid vari voorstelling, zuiverheid van zegging, afwisseling van maten, en vooral een lang en gelijkmatig aanhouden van klinkers, zooals het voor een gedragen voordracht, en meer nog voor de zang noodig is, met de jaren toenemen. Dat zijn vers op tempo en rijm berust wordt hoe langer hoe duidelijker, en hoe langer hoe meer teekent zich ook de eendere duur van zijn silbenaf. Omdat die tijdsduur zoo klaarblijkelijk het heerschende element is — heerschend over de accenten — krijgt zijn vers lichtheid. Het is of hij aan de woorden geen gewicht geeft, geen eigenlijke verschillen van diepgang. Soms is het of hij ze als muzikale mozaieken eenvoudig naast elkander plaatst. Veel van zijn koren kan men niet anders verstaan dan als zulke gevoelig naast elkaar gezette woorden, syllaben zelfs, bestemd om door een soort gesproken zang eerst hun werkelijk leven te ontvangen en te openbaren.

Beproef maar eens het eerste koor van de Jephta te lezen. De eerste regel is niets anders dan: O Galaad. Het is dwingend duidelijk dat de stem daar niets mee beginnen kan, tenzij ze hiervan vier gelijkelijk-lange silben maakt, stuk voor stuk lang aangehouden en zelfs de laatste nog eenigszins open. Doet men zoo, dan treft men de toon en kan de heele rei met zijn drievoudige Zang en Tegenzang uitzingen.

Zoo is het in al zijn reien en hoe meer Vondel zich daarvan bewust werd, en, zooals te denken is, met de muziek meewerkte, hoe meer hij afwisseling

116

Sluiten