Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lingen leest zal toegeven dat hij voor lof groote reden had. Wie bedenkt dat Vondels aard nooit die is van de onmiddelijke overgave aan ontroering en uiting, maar juist die van de op een afstand blijvende bespiegeling, zal begrijpen dat hij in dit gedicht meer dan ooit zijn natuur volgde.

Hij bespiegelde, en hij bespiegelde God. Onderwerp en dichter waren hier dus meer dan ooit gescheiden. Alle gedachten die God betroffen, de heele Godsleer waarmee hij instemde, kon hij, evengoed als het werk van Vergilius, beschouwen als een voorsteUmgsinhoud die gereed lag om door hem bewerkt te worden, en die hij alleen in zijn vers had voortedragen.

Hij deed het met hartstocht, omdat het onderwerp hem ter harte ging.

Ik noemde het werk een leerdicht. Maar wat het leert vinden we beter bij de godgeleerden die hij raadpleegde. Hun aandeel aan de Bespiegelingen kan worden vastgesteld, zonder dat iets anders van het gedicht ter sprake komt dan de stof die ertoe werd verwerkt. De verwerking zelf zien we voor oogen: de scherpheid van de onderscheiding, de klemmendheid van het betoog, de schilderachtigheid van de voorbeelden, de gloed van de welsprekendheid. Als wij die bewonderen doet het er zelfs niet toe wanneer wij inzien dat de vergelijking van de goddelijke onzichtbaarheid met die van lucht en wind mank gaat: de behandeling van het motief blijft er even voortreffelijk om. Voortreffelijk blijft, ook wanneer men zich geen schepper en zijn

9

129

Sluiten