Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weigren 's Konings gunst, en disch, Hoofsche pracht, en zijde kleeren,

Met zijn kemelshuit vernoeght, Op wat wilden honigh teeren,

Daer men zaeit, noch maeit, noch ploeght; Zou Godts dienstmaeght dan ontzeggen

't Niniveesche hairenkleet? —

Aan deze Anna dan dacht hij, nu hij, niet een grieksche of vaderlandsche, maar een bijbelsche held bezingen wou. Voor haar werd het werk geschreven en zijn toon moest zoo zijn dat zij, de vrome nonnenmoeder, het bevatten zou.

Men zal mijn zangheldin, onnozel, zonder schuit, Met waecken, en gebeên, en vasten, en gedult, En waerheit, niet met vier gewapent, als Helias, Zien oorelogen in den voortoght van Messias.

De engelenkoren werden aangeroepen om met de zang van die Muze intestemmen:

Gy englekooren, die omhoogh, van trans in trans, Het Lam eert, dat den rey der maeghden leit ten dans, Die door het nieuwe liet, en onnazingbre toonen, Den trouwen bruidegom der zuivre zielen kroonen; Geley met uw gezangk mijn hemelheldenwijs. Ick ken geen zangbergh dan het hemelsch paradijs, Daer, uit den troon van Godt en 't Lam, door duizent aders Het levend water, op geruisen van pallembladers, Komt opgesprongen, klaer en louter, als kristal. Dat is mijn paerdebron, mijn bosch, en waterval, Waeruit de koningen en Godts gezalfden droncken. Joannes' schaduwen, woestijnen, en speloncken, En kereker zullen, zoo uw hemelbron my laeft, Veranderen in licht en paradijs. Dan draeft

136

Sluiten