Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebed voor hen, zoo eindigt dit tweede met verweer en bede die de Heidenen gelden.

Al wat Vondel hier saamvat: bijbelsche, werelden kerkgeschiedenis, kende hij al voordat hij roomsch werd. Moeiteloos wordt het opgeroepen en uitgesproken.

Het derde boek verhaalt de ketterij van Arius, die Christus als door God uit het niet geschapen voorstelde; het concilie te Nicea; de aanvallen op bisschop Athanasius, door de Arianen, tijdens de regeering van Constantius; de redding van de fransche kerk door bisschop Hilarius. Daarna de toestand van de kerk onder keizer Julianus, die tevergeefs de tempel te Jeruzalem tracht te herbouwen en sneuvelt op de veldtocht in Perzië. De algemeene concilies te Konstantinopel, Efeze en Chalcedon bevestigen het leerstuk van de Drieeenheid. Maar te Karthago verwekt Donatus, de over-ijverige, een scheuring, en groeide de secte van Pelagius, loochenaar van de erfzonde en weerstaan door Augustinus. Als Rome door de Gothen overheerd wordt, blijkt de grootheid van de kerk eerst recht uit hun bekeering. Lof verdienen de keizers Theodosius en Honorius, door wie de heidensche gebruiken, die lang bleven woekeren, werden uitgerukt. Als een bewijs van de „heerlijckheit der kercke" wordt Augustinus' verhaal vermeld dat de Hunnenkoning Alaric, toen hij Rome nam, de graven van de Apostelen spaarde. Maar de Ariaansche Vandalen, Karthago veroverend, verdrukten tegelijk het Heidendom en het Christen-

142

Sluiten