Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Metamorfozen begonnen en aan deze ontsprong een ander tooneelspel: de Faëton.

Voor Vondel de pen neerlegde zou hij nog drie andere oorspronkelijke drama's schrijven: Adam in Ballingschap, Zungchin en Noah, en drie vertaalde: van Euripides de Ifigenie in Tauren en de Feniciaensche, van Sofocles de Hercules inTrachin.

Er is in al dit werk een toegenomen lichtheid, die men ook verstaan kan als ekonomie van krachten. Vondel begon ouder te worden en als men dit bedenkt dringen ook de drie laatst besproken gedichten tot sommige overwegingen. Bespiegeling en de daarbij behoorende welsprekendheid hadden er zich onbelemmerd in uitgestort. Bespiegeling was altijd het aan Vondel meest eigene, maar zijn welsprekendheid had tevens altijd een sterk element van zang tegenover zich. Dit element was geweken, en in aanmerking nemend hoezeer het evenwichtig bestand van al zijn krachten bij hem een. tweede natuur was, zou men willen zeggen dat hij, bij het schrijven van die drie gedichten, zijn natuur volgende haar te buiten ging. In de Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst is de levendige betoogtrant vijf boeken door volgehouden. In Joannes de Boetgezant schrijft hij er zes, en het gedicht is een verhaal waarin het laatste boek krachtdadig evenwicht houdt aan de drie eerste, maar de eigenlijke vertelling in het vierde en vijfde steekt: er is een overmaat van bespiegeling in en als men zegt dat het een stichtelijk verhaal is, moet de nadruk vallen op stichtelijk. In de Heerlyckheit der Kercke

146

Sluiten