Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gerig zijn er de reien, vooral de drie eerste, hoe gelukkig is de behandeling van het aan Ovidius ontleende, maar hier tot veel weidscher en levender schouwspel ontbonden onderwerp.

Men moet bij Vondel altijd veronderstellen dat hij alles kon en tafreelen van de meest verschillende toonaard gelijktijdig op 't getouw kon zetten. Men ziet wel dat de omstandigheden op hem inwerken en dat hij in het eene tijdperk van zijn leven anders dan in een ander is, maar wat hij zoo in tijdsorde uit zich ontwikkelt, moet m zijn innerlijk heel dicht bij elkaar hebben gelegen. Wij kunnen trachten die ontwikkeling als een geregeld verloop voortestellen, wij moeten het wel, het is nu eenmaal de eenig mogelijke ordonnantie voor een duidelijk overzicht; maar wij moeten dan toch tevens in het oog houden dat wij kunnen mistasten, dat wat wij als achtereenvolgens voorstellen wel eens de gelijktijdigheid van verschillende bewustzijnslagen kan zijn geweest, waaruit de dichter, al naar zijn geest zich richtte, het een of het ander aan het licht bracht. ...

Ook deze overweging is noodig als wy m enkele jaren zoo verschillende gedichten zien ontstaan als we in dit hoofdstuk noemden. Ook kunnen omstandigheden en innerlijke aandrang hebben saamgewerkt. Het is heel wel mogeüjk dat tot de bijna gelijktijdige keus van spelen als de Batayische Gebroeders eenerzijds, de Faëton anderzijds, zelts de eischen van het tooneel of de kans dat ze vertoond zouden worden het hunne deden.

150

Sluiten