Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al de rest is ontwikkeling, is volmaking, schijnbaar nu in deze dan in gene richting, maar toch eigenlijk voortdurend in eene, in die van het Meesterschap.

III

Letten we eerst enkel op Vondels vers van twaalf en dertien syllaben, zooals hij dat, naar hij meende, van Du Bartas overnam. Ik heb al gezegd dat in de germaansche landen niet alleen de alexandrijn maar ook het vers van tien en elf lettergrepen altijd verschild heeft van het romaansche voorbeeld, en wel bepaaldelijk door de uitsluiting van één val: twee onbetoonde lettergrepen tusschen het laatste en het voorlaatste accent.

Het werkelijk-fransche vers was nog bij Van der Noot en om goed te doen zien waarom het gaat, plaats ik hier zijn Sonnet, opgedragen aan Josepho de Deckere.

Ghy sijt, schoon Lief, mijn vreughdt, en mijns herten beDer Deughden borcht en slot en der Goden casteel, [hagen, Ghy sijt der Eeren hof, en der vreughden prieel, Ghy sijt mijns herten troost en hope, t'allen daghen: Laes deur u schoonheydt groot, koomt Venus mij die plaghen: U wysheyt en u Deughdt, veur een heerlijck iuweel, Beloofdt Minerva, my te schenken tot mijn deel, Dies Cupido my doedt, nacht en dagh na u vraghen. Ghy syt mijns levens ieughdt, en vreughdt, dies dagh en nacht U schoonheydt, en u Deughdt, ligghen in mijn ghedacht, Want u gheselschap, Lief, ick meer dan d'eerdts goed achte: Dus koomt, schoon Lief,'tot my, en laet my sijn voortaen

153

Sluiten