Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

U Broeder, Man en Vrindt: soo sal men doen vermaen Van u Deughdt, deur mijn dicht; van geslacht tot geslachte.

Op veertien regels zijn er hier niet minder dan zes die tegen het eind de bedoelde anapaestische slag hebben: de eerste drie, de zesde, de achtste en de veertiende.

Raadpleegt men nu Hooft, dan zal men een enkele maal in zijn jeugdgedichten een vers vinden, als:

Mijn brant trock uit haer hart om 't mijne te versachten Soete goedivillicheit, een verfrisschende douw —

waarin dit fransche ritme even blijkbaar als in het sonnet van Van der Noot gebruikt is. Maar zoo heeft hij er maar enkele.

De germaansche vorm van het vers stond vast en ook Spieghel was in dit opzicht eraan trouw gebleven.

Spieghels vers toont, daarentegen, nog een andere afwijking van het fransche; namelijk ten opzichte van de cesuur. Deze deeling van het vers in twee helften werd in het fransche vers het duidelijkst hierdoor uitgedrukt dat de zesde en de zevende lettergreep er nooit met elkaar werden verbonden tot woordgeheel. M.a.w. de zesde lettergreep was altijd de laatste of de eenige lettergreep van een woord. Spieghel nu, wiens vers meer aan het accent dan aan het metrum gebonden was, hield zich daar niet aan. Verzen als:

Stoutmoedig ben ick, nechtich, schimpgetroost, en trou, waarin de zesde en zevende syllabe samen het

154

Sluiten