Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woord „nechtig" vormen, vindt men bij hem herhaaldelijk.

Welnu, zoo min als Vondel ooit behalve in zeer enkele gevallen (zoo zeldzaam dat Van Lennep er een als een hooge uitzondering aanwees, en ik zou slechts weinig andere, waarvan vijf in het uit de band springende Decretum Horribile, eraan weten toetevoegen) Spieghel navolgde, zoo min deed hij het ooit Hooft. Hij aanvaardde geheel, kan men zeggen, want zonder noemenswaarde uitzondering, de germaansche vorm van het fransche vers, een vers zonder mogelijkheid van anapaestische slag tegen het einde en met onverbonden zesde en zevende lettergreep.

Vondel miste dus twee mogelijkheden van afwisseling, eene naar de zijde van Du Bartas, en eene naar de zijde van Spieghel. Zijn vers moest in zijn tweede helft meer iambisch blijven dan het fransche, en tevens moest hij, anders dan Spieghel, de fransche cesuur nooit zoozeer loslaten dat zij niet langer aanwezig bleek. Dit gemis versterkte voor hem de noodzakelijkheid om van een ander soort afwisseling het grootst denkbare gebruik te maken. Ik bedoel van de zins-rusten, en, in verband daarmee, van de enjambementen.

Het vers heeft de neiging iedere volzin te dwingen tot zijn eigen rusten. Kon de alexandrijn spreken, dan zou hij zeggen: gij volzin, rust in mijn midden, eindigt als ik ben afgeloopen, en kunt u, door middel van het rijm, met een van uw gelijken paren, evenals ikzelf het doe. De volzin kan er

155

Sluiten