Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich naar schikken of niet: zoowel uit de overeenstemming als uit de oneenigheid van de twee blijkt een evenwicht, ja een vereeniging van twee ongelijksoortigen. Het vers blijft vers en de volzin blijft volzin; maar volzin en vers zijn onscheidbaar, en wij worden door hun eenheid meer bevredigd naarmate ze ons meer vanzelfsprekend schijnt.

We zagen in hoeverre Vondels volzin zich naar zijn vers te voegen had. Maar nu moest, op zijn beurt, het vers zich voegen naar de volzin. Het vers moest goedvinden dat de volzin na iedere syllabe, welke ook, een rust plaatste. Het moest tevens goedvinden dat de volzin niet rustte in zijn midden of aan zijn eind. Dit was voor een alexandrijn een hard gelag; maar de eisch werd doorgevoerd, en het was al een bizondere begunstiging dat de volzin een rustvlak tusschen twaalfde en dertiende syllabe ongewenscht achtte. De Vondelsche volzin, die nu eenmaal zelf bezwaar had tegen uitersten.

De schoonheid van Vondels gedichten berust in de eenswilligheid, ja in de blijdschap, waarmee, hoe langer hoe meer, zijn volzin en zijn vers zich naar elkaar voegen en één worden. Weinig dichters schreven als hij een volzin die zijn levende klankenlichaam zoo onbelemmerd over zooveel verzen kon uitbreiden en tevens zoo onafhankelijk en zoo vaak rusten kon. Weinigen schreven als hij een vers dat in alle denkbare tonen zoo golvend in zijn geheel en zoo vloeiend in zijn overgangen van sylbe op sylbe, een vers mocht blijven.

156

Sluiten