Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jephta blijk had gegeven aan Ronsard te hechten. In theorie en praktijk bleef hij verwant met hem, en niet met de fransche klassicisten die onder voorgang van Malherbe het tijdvak van de Pleïade afsloten, en verloochenden.

Ieder van Vondels gedichten, oorspronkelijk of vertaald, en van zijn dertigste jaar tot zijn zeyenen-tachtigste, is een toon die, eens opgevat, zuiver volvoerd werd. Van zijn kleinste epigrammen tot zijn langste leerdicht, in al zijn gezangen en al zijn drama's rust altijd ieder woord dat hij zegt op zulk een natuurlijke stemtoon, in het hem eigen tempo, en telkens van kenbare door het heele gedicht volgehouden geluidskleur. Niemand verstaat zijn gedichten voor wie hun toon niet kenbaar en beschrijfbaar wordt. Een gedicht van Vondel lezen, wil zeggen dat men allereerst de toon die het heeft hervoortbrengt, om te beginnen in de verbeelding, dan zoo mogelijk door luide voordracht. Wie het enkel met de oogen leest bevat niets ervan.

Natuurlijk zegt dit niets dan dat Vondel een goed dichter was. Maar dit is juist wat ik vfil opmerken. Wij bezitten in Vondel een goed dichter, en daar gaat niets boven. Zijn lotgevallen, zijn omgeving, zijn denkbeelden, zijn kerkgeloof, alles heeft een zekere belangrijkheid, maar alleen een bijkomstige neven dit eene: dat hij een goed dichter was. Hij was de nederigste van alle menschen, onderwierp zich aan wereldsche zoowel als geestelijke overheden, vervulde menschelijke en maat-

162

Sluiten