Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Adam In Ballingschap Is een-en-al zang, zei ik. Verheven en zoetvloeiend tevens, zei Brandt al, en prees het als iets wat weinig dichters gelukt was. Het is ook zoo, en de zang is niet enkel in de lange partijen met kortere verzen, maar in de heele toon. Tusschen het verheugde en het droevige is er een middentoon getroffen, die men het best als bevalligheid kenmerkt. Een duidelijk voelbaar schoonheids-element heeft de plaats ingenomen van het zedelijk pathos dat hoorbaar was in de Lucifer. Zelfs de duivels hebben deel eraan, zelfs de smart van Adam wordt er door verzacht. En behalve de zang is de dans — een eisch van de toenmalige schouwburgbestuurders, zegt men, die nochtans hun deuren voor Vondels spel gesloten hielden — een dans die, met Adam als zon, Eva als maan, en met de wachtengelen als planeten en sterren, de loop van de hemellichamen, volgens het stelsel van Ptolemëus uitbeeldde.

De zondvloed had Vondel vroeger herdacht in een prachtige reizang achter het eerste bedrijf van Joseph in Egypten.

Na de in regenbogen gekleede dochters van Febus, na Adam en Eva die in witte zijde van erfrechtvaardigheid gekleed gingen, waren het nu de „schoone naakten", drijvende „op den weereltvloet". Toch is het niet de schildering van een schoone zinnelijkheid die aan dit stuk zijn kracht geeft. Het is een boeiend stuk, maar het boeit door zijn onrust, door de schildering van het opzettende water, door de gesprekken van Achiman en zijn

167

Sluiten