Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHTSTE HOOFDSTUK

Over de bootvaart van een koenen droomer.

„Nu heeft me die vent uit een klucht van Molière wel een emmer vol bloed afgetapt, en me er evenveel water voor in het lichaam gespoten."

Ik knikte tevreden, de branding van de koorts scheen weggeëbd te wezen, hij lag op het kussen met een bleek gezicht.

Wij zwegen. Ik wilde niet spreken over de avonturen, die ik als knecht van de voorzienigheid had beleefd, en mijn speelman scheen naar voorbijtrekkende ger dachten te turen. Ikzelf keek naar de gitaar met de gesprongen snaren en naar de donkerder plek op den muur, waar de oude jas had gehangen, dan wist ik verder geen raad meer met de stilte.

Voorzichtig naar mijn woorden zoekend, merkte ik op, dat mij nog altijd het verslag er van was onthouden, waarom de hoeve door hem was verlaten en hij den grooten weg was opgegaan.

„Ja," zei hij, „monseigneur heeft recht om veel van mij te weten, en op mij voel ik den plicht rusten, om te voldoen aan een gewettigd verlangen. Later zal de reden daarvan, ik denk het, duidelijk worden."

34

Sluiten