Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEGENDE HOOFDSTUK

Over een boekenkist, een leeuwerik en een stad in de verte.

Het dampende brouwsel van den lavementspuitman, dat door het oudste dochtertje van beneden behoedzaam binnen wordt gebracht. Het kind geef ik een kus voor haar moeite, en den speelman doe ik van de bitterheid des levens proeven, helaas niet zonder leedvermaak.

Waarop hij, na minachtend den mond te hebben afgeveegd, onverstoorbaar weer voortgaat:

„Alleen dit wou ik nog zeggen, dat ik sedert dien nacht van mijn vinkschap ermee ben begonnen, om mij op de oude gitaar, in een noek van den zolder boven den koestal gevonden, dagelijks te oefenen, en er de woorden van een liedje bij te dichten en de melodie meteen.

Nog een andere heuglijke ontdekking heb ik op dien zolder gedaan: een kist boeken. Wie hem achterliet moet tot die garde, de hugenoten, behoord hebben, die gloeiende zielen, die niet genoeg hadden aan gééstelijke zwerftochten, maar aan wie ook de wéreld wij der dunkte dan de plek, waarop zij hun huis hadden gebouwd.

Avond aan avond zat ik gebogen over telkens weer

38

Sluiten