Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen ik de oogen weer opende, lag mijn hoofd in den schoot van een meisje. Ik kende haar niet. Terwijl ze mij het zweet en het bloed van het gezicht wischte, vertelde ik het haar, hoe ik was opgevlogen en naar wien ik gezocht had. Ze streek mij met de hand door het haar. Voor het eerst, sinds mij de gaaf der elfen was geschonken, waagde ik het een menschehjk hart te ontsluiten, en daar aarzelend in binnen te gaan. Wat ik er vond was een eerbied, en mij gold die eerbied^ Als een boompje zag ik het opschieten, het stille ontzag, terwijl een enkele bloesem van liefde al wit werd. Tot vrucht is die geworden, en eer de zomer was verloopen, hadden we elkander een gelofte gedaan.

In dien tijd trok een ziekte het land over. Toen zij tot ons dorp was gekomen, behoorden vader en ik tot de eerst getroffenen.

Nadat ik dagen bezwijmd had gelegen, hoorde ik zeggen: „nu wordt hij het huis uitgedragen." Dadelijk begreep ik, dat van vader werd gesproken, en zoodra ik alleen was gelaten, waggelde ik duizelig van koorts en van zwakte naar het raam. Ik zag de begrafenis het erf overtrekken. Het verbaasde mij echter, dat de Mst niet grooter dan die voor een kind was, en dat hij niet op de schouders rustte van mannen uit de nabuurschap, maar op die van liefelijk vreemde wezens, welke mij niet tot de knie zouden gereikt hebben, en van wie de tengere gestalte met rozeblaren was bekleed.

40

Sluiten